Categorieën
Strafwetgeving

Strafrecht inzake cannabis in Duitsland in 2026

Cannabis voor recreatief gebruik valt in Duitsland niet langer onder de klassieke Opiumwet‑achtige regels, maar dat betekent geenszins dat het strafrecht buitenspel staat. De Duitse Wet op consumptiecannabis (Konsumcannabisgesetz, KCanG) creëert een fijnmazig stelsel van verboden, en recente rechtspraak van het Bundesgerichtshof (BGH), de hogere regionale gerechten en het Beierse Oberste Landesgericht laat zien dat strafzaken, inbeslagnames en zelfs gevangenisstraffen voor gebruikers, thuistelers en commerciële actoren realistische scenario’s blijven.

Wat is toegestaan – en waar begint strafrechtelijk risico?

Sinds 1 april 2024 mogen volwassenen in Duitsland maximaal 50 gram cannabis in hun woning of op hun vaste verblijfplaats aanhouden en tot 25 gram op andere plekken. Daarnaast is de teelt van maximaal drie cannabisplanten voor eigen consumptie toegestaan. Deze vrij zone is echter smal: zodra deze hoeveelheden worden overschreden of de handelingen niet meer uitsluitend op eigen gebruik zijn gericht – bijvoorbeeld door verkoop, structurele doorlevering of commerciële exploitatie – is al snel sprake van een strafbaar feit onder § 34 KCanG.

Bij de uitleg van kernbegrippen sluit de Duitse rechtspraak grotendeels aan bij de oudere jurisprudentie onder de Betäubungsmittelgesetz (BtMG). “Bezits” vergt feitelijke heerschappij over het middel én de wil die heerschappij te behouden. “Teelt” omvat alle verzorgingshandelingen rondom de plant – van het inplanten van stekken, via water geven, bemesten en belichten, tot aan de oogst toe. De oogst zelf valt onder “productie”. “Handel drijven” wordt ruim opgevat: elke op omzet gerichte, eigenbaat nastrevende activiteit volstaat. Voor buitenlandse cliënten is de boodschap helder: het nieuwe cannabisregime is geen liberaal experiment, maar een voortzetting van het traditionele drugsstrafrecht, zij het met aangepaste strafkaders.

Bezit: grenshoeveelheden, woonplaats en gezamenlijk bezit

Bezits wordt onder § 34 lid 1 nr. 1 KCanG pas strafbaar bij overschrijding van de vastgelegde vrij hoeveelheden; daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de woon‑ of verblijfplaats (meer dan 60 gram) en andere plaatsen (meer dan 30 gram). De rechtspraak heeft inmiddels duidelijk gemaakt dat deze grenswaarden streng worden gehanteerd.

Een bijzonder twistpunt vormen gevangeniscellen. Sommige gerechten – zoals het Oberlandesgericht Schleswig en het Landgericht Stralsund – vinden dat een cel geen “woonplaats” of “plaats van gewoon verblijf” in de zin van de KCanG vormt. In die lijn is boven 30 gram in de cel al strafbaar bezit. Andere gerechten, waaronder het Kammergericht in Berlijn en het Landgericht Bonn, stellen juist dat een langdurig bewoonde cel wél met een woning te vergelijken is, zodat de hogere grenswaarden gelden. Dit rechtsgebied is dus nog in beweging en biedt zowel risico’s als verdedigingsmogelijkheden bij zaken rond bezit in detentie.

Daarnaast heeft het Bundesgerichtshof beslist dat cannabisvoorraden op verschillende woonadressen en verblijfplaatsen bij elkaar moeten worden opgeteld bij de beoordeling van de vrij hoeveelheid. De grens is dus persoonsgebonden, niet plaatsgebonden. Het “verspreiden” van voorraad over meerdere woningen verlaagt het strafrechtelijke risico niet. Dit sluit aan bij oudere BtMG‑lijnen waarin bezit voor eigen gebruik op meerdere plekken als één voortdurende bezitsdaad werd behandeld.

In huishoudens met meerdere bewoners speelt het leerstuk van gezamenlijk bezit. Duitse rechtbanken hebben in concrete gevallen aangenomen dat er sprake was van medebezit wanneer bijvoorbeeld een kweektent met enkele planten in een vrij toegankelijke ruimte van de gezamenlijke woning stond en beide bewoners de teelt organiseerden. De BGH heeft bevestigd dat de criteria voor gezamenlijk bezit uit het BtMG ook onder de KCanG gelden: beslissend is of iemand feitelijke medebeschikking heeft en dit ook wil. Louter weten dat een huisgenoot cannabis houdt en dat “oké vinden” is op zichzelf niet genoeg.

Inbeslagname en ontneming vormen een extra risico. De Große Senat van het BGH heeft duidelijk gemaakt dat bij overschrijding van de vrij hoeveelheden in principe de volledige hoeveelheid als voorwerp van de daad kan worden ontnomen; de rechter hoeft een “strafvrije eigengebruikshoeveelheid” niet uit te zonderen. Wel kan op grond van proportionaliteit van (gedeeltelijke) ontneming worden afgezien, wat in zaken met substantiële waarden een belangrijk aangrijpingspunt voor de verdediging is.

Verkrijging, zwarte markt en witwassen

De KCanG verbiedt verwervings‑ en ontvangsthandelingen in administratiefrechtelijke zin, maar strafbaar zijn alleen aankopen of ontvangsten waarbij de drempel van 25 gram per dag of 50 gram per maand wordt overschreden. Belangrijk voor gebruikers: in de wetsgeschiedenis en de latere rechtspraak is bevestigd dat deze strafvrijheid ook geldt bij aankopen op de zwarte markt, zolang men binnen deze limieten blijft.

Dat raakt direct aan het ruime Duitse witwasdelict in § 261 StGB. Theoretisch zou het betalen met legaal geld voor illegale cannabis de koper als witwasser kunnen bestempelen, omdat de verkoper criminele opbrengsten genereert. Enkele hogere regionale gerechten, met name het OLG Hamburg en het OLG Celle, hebben deze redenering echter afgewezen. Zij nemen aan dat § 261 StGB teleologisch moet worden beperkt: als de wetgever het consumentenniveau onder de KCanG uit het strafrecht haalt, kan hetzelfde gedrag niet via de achterdeur van het witwasrecht worden gecriminaliseerd. De hoogste rechter heeft dit nog niet in een leidende uitspraak uitgewerkt, maar verschillende strafkamers gaan er impliciet van uit dat aankopen binnen de KCanG‑grenzen niet als witwassen worden aangemerkt. Voor buitenlandse cliënten is dit cruciaal: wie zich strikt aan de limieten houdt, zou niet als witwasser mogen worden aangepakt – al blijft dit een technisch en dynamisch rechtsgebied.

Handel, plantages en de “niet geringe hoeveelheid”

Waar het om handel gaat, blijkt het nieuwe recht weinig toegeeflijk. Het Bundesgerichtshof heeft de oude BtMG‑grens voor een “niet geringe hoeveelheid” cannabis – 7,5 gram THC – expliciet gehandhaafd als maatstaf voor het verzwarende voorbeeld van de bijzonder ernstige gevallen in § 34 lid 3 zin 2 nr. 4 KCanG. Dat geldt ondanks passages in de wetsgeschiedenis waarin werd gesuggereerd dat de drempel, gezien de gelegaliseerde hoeveelheden, beduidend hoger zou moeten liggen. Pogingen van lagere rechters om de grens op eigen houtje op te trekken, zijn in cassatie ongedaan gemaakt.

Opvallend is ook een ontwikkeling rond cannabisplantages. Onder het BtMG werd het verwerven en aanhouden van jonge planten voor latere verkoop veelal nog als voorbereiding gezien; pas bij inplanting in een ingerichte kweekinstallatie werd van (poging tot) handel gesproken. De 3e strafkamer van de BGH wil dat voor de KCanG anders zien: volgens haar is de overdracht van jonge planten aan iemand die al een ingerichte plantage heeft en het product later wil verkopen, reeds voltooide handel. De aanschaf van de plantjes zou dan deel van de omzettransactie zelf zijn, niet langer slechts voorbereiding. De kamer heeft andere senaten formeel gevraagd of zij aan eerdere rechtspraak willen vasthouden; een definitieve lijn volgt nog. Mocht deze visie doorzetten, dan schuift het moment waarop men zich in het kerngebied van het handel‑delict bevindt aanmerkelijk naar voren. In plantagezaken zijn dan al in een vroeg stadium zware strafbedreigingen aan de orde.

In concurrentieverhoudingen heeft het BGH daarnaast verduidelijkt dat invoer van cannabis die voor doorverkoop bestemd is, doorgaans opgaat in het handelen als onderdeel van een zogenoemde “beoordelingseenheid”. Anders dan onder het BtMG kent de KCanG immers geen afzonderlijk verhoogd minimum voor invoer van een niet geringe hoeveelheid; een aparte veroordeling voor invoer is daarom in de regel niet nodig. Alleen wanneer delen van een zending zonder winstoogmerk tegen inkoopprijs aan derden worden afgegeven, kan invoer naast handel zelfstandig blijven staan.

Productie, teelt en teleologische correcties

Slordigheden in de wettekst van de KCanG hebben de BGH gedwongen tot teleologische beperking. Het opvallendste voorbeeld is de oogst van de eigen drie toegestane planten. Letterlijk genomen valt die oogst onder “productie” en is die zonder vrij grens strafbaar, hoewel de teelt van drie planten en het bezit van maximaal 50 gram in de woning expliciet zijn toegestaan. De 3e kamer heeft deze evidente inconsistentie opgelost door de reikwijdte van het productiebegrip te beperken: de oogst van de eigen drie legale planten voor persoonlijk gebruik is niet strafbaar.

Wat de teelt zelf betreft, komt de rechtspraak terug op de onder het BtMG ontwikkelde definities: alle tuinbouwkundige handelingen om groei te bevorderen vallen onder het teelt‑delict, terwijl de oogst het omslagpunt naar productie markeert. Bij de vraag hoe teelt en productie zich tot elkaar verhouden, heeft de 2e kamer geoordeeld dat deze handelingen bij één dader in beginsel één natuurlijke eenheid vormen. Iemand die dezelfde planten opkweekt en vervolgens oogst in één doorlopend proces, maakt zich daardoor schuldig aan één samenhangend geheel van feiten, wat bij de straftoemeting in één straf kan worden afgewikkeld – zonder dat dit het totale strafbare bereik verkleint.

“In het verkeer brengen” en weggooien bij een controle

Een voor veel gebruikers verrassende lijn in de rechtspraak betreft het gedrag tijdens een politiecontrole. Onder de oude drugsjurisprudentie gold dat wie drugs op een manier weggooit waardoor derden deze waarschijnlijk kunnen vinden, consumeren of doorgeven, zich mogelijk schuldig maakt aan “anderszins in het verkeer brengen”. Worden de middelen niet teruggevonden, dan blijft het bij poging. De Beierse hoogste rechter heeft deze leer nu uitdrukkelijk op § 34 lid 1 nr. 10 KCanG toegepast.

In de betreffende zaak gooide de verdachte tijdens een vlucht voor de politie ongeveer 11 gram marihuana weg bij een portiek, waarna de politie het pakket kort daarop veiligstelde. Het BayObLG heeft de eerdere veroordeling wegens bezit omgezet in een veroordeling wegens poging tot “anderszins in het verkeer brengen” naar KCanG‑recht. Dat de latere vinder het bezit van een kleine hoeveelheid zelf straffeloos zou kunnen hebben genoten, vond de rechtbank niet doorslaggevend. Doorslaggevend was dat de verdachte het reële risico accepteerde dat een derde de macht over de cannabis zou verkrijgen. Voor de praktijk betekent dit dat het reflexmatige weggooien van cannabis in het zicht van de politie juridisch juist kwalijker kan zijn dan het simpelweg laten controleren van een kleine hoeveelheid.

Overgangsrecht, amnestie en oude straffen

Voor personen met oudere cannabisveroordelingen was de inwerkingtreding van de KCanG gekoppeld aan het amnestieregime van de artikelen 316p en 313 EGStGB. Waar gedrag – bijvoorbeeld bezit van een kleine hoeveelheid voor eigen gebruik – onder het nieuwe recht niet langer strafbaar of beboetbaar is, geldt een reeds opgelegde straf van rechtswege als kwijtgescholden. Er is geen aparte beslissing van de strafvollstrekkingsrechter nodig; hogere gerechten moeten dit ambtshalve toepassen bij bijvoorbeeld lopende cassatieprocedures.

Indien een oude veroordeling gedragingen omvat die deels nu legaal en deels nog steeds strafbaar zijn (zoals handel of invoer), is herbeoordeling van de straf mogelijk. De herziening ligt in handen van de rechtbank van eerste aanleg, niet bij de executierechter. Voor gedragingen die onder zowel het oude BtMG als het nieuwe KCanG strafbaar blijven – bijvoorbeeld handel in aanzienlijke hoeveelheden – biedt het amnestieregime echter geen grond voor strafverlaging enkel omdat de nieuwe minimumstraffen lager zijn. Pogingen om de regels analoog toe te passen zijn door de rechtspraak consequent afgewezen. Evenzo wordt de verlaging van strafmaxima niet als zelfstandig argument geaccepteerd voor vervroegde voorwaardelijke invrijheidstelling; de wetgever heeft er bewust voor gekozen om oude straffen exclusief via de amnestieregeling aan te passen.

Opsporingsmiddelen, cryptotelefoons en bewijsgebruik

In zware drugszaken hebben Duitse autoriteiten sterk geleund op gegevens uit versleutelde communicatiediensten zoals EncroChat, SkyECC en ANOM. De KCanG heeft dit ingewikkelder gemaakt omdat bepaalde cannabismisdrijven – met name handel in niet geringe hoeveelheid – niet langer als catalogusdelicten voor verregaande technische opsporingsmaatregelen in § 100b StPO zijn aangewezen. Enkele hogere regionale gerechten trokken daaruit aanvankelijk de conclusie dat gegevens die vroeger rechtmatig waren verzameld voor oude BtMG‑feiten, niet langer mochten worden gebruikt als na wetswijziging alleen nog een KCanG‑delict resteerde. Andere gerechten, en uiteindelijk de BGH, hebben echter geoordeeld dat beslissend is of de gegevensverzameling ten tijde van het onderzoek rechtmatig was. Als dat het geval was – bijvoorbeeld omdat de tenlastegelegde feiten destijds onder de BtMG‑catalogus vielen – blijft bewijs in beginsel ook onder het nieuwe recht toelaatbaar, zelfs wanneer de corresponderende KCanG‑bepaling geen catalogusdelict meer is.

Daarmee blijft historische crypto‑communicatie in veel cannabiszaken op tafel liggen, vooral waar het gaat om oudere feiten die oorspronkelijk als ernstige BtMG‑delicten waren geclassificeerd. Voor cliënten met internationale structuren betekent dit dat Duitse justitie ook na de hervorming op basis van oude data kan doorprocederen, zelfs als het huidige wettelijke kader milder oogt.

Jonge planten, wettelijke definities en dwaling (BayObLG 206 StRR 315/25)

De beslissing van het BayObLG van 2 februari 2026 (206 StRR 315/25) illustreert hoe onhelder de KCanG nog is op de grens tussen stekken, jonge planten en “volwaardige” cannabisplanten. De wet kent verschillende definities: “vermeerderingsmateriaal” (zoals stekken zonder bloei‑ of vruchtvorming) wordt deels anders behandeld dan planten die al als cannabis in enge zin gelden. Het BayObLG benadrukt dat niet iedere mini‑plant automatisch strafbaar cannabis vormt; er moet nauwkeurig worden gekeken in welke groeifase de plant zich bevond en of zij onder de wettelijke categorie vermeerderingsmateriaal valt.

Interessant is dat het BayObLG in dit soort overgangssituaties een beroep op dwaling over de strafbaarheid (Verbotsirrtum) niet bij voorbaat uitsluit. Een hobbyteler die naar objectieve maatstaven probeert binnen het kader van drie toegestane planten en legale stekken te blijven, kan zich bij zeer jonge planten vergissen in de juridische kwalificatie, zonder dat dit per definitie verwijtbaar is. Voor de verdediging is dit relevant: waar zelfs specialisten moeite hebben om de knip tussen stek en “echte plant” scherp te trekken, kan een goede‑trouw dwaling strafverminderend of in uitzonderingsgevallen strafuitsluitend werken.

Tegelijkertijd maakt het BayObLG duidelijk dat inbeslagname en ontneming van planten en kweekmateriaal steeds individueel gemotiveerd moeten worden. Onder verwijzing naar § 37 KCanG en § 74 StGB onderstreept het hof dat ontneming geen automatisme is: de rechter moet beoordelen of en in hoeverre de concrete planten en apparatuur nog als relevante voorwerpen of middelen van het delict kwalificeren. Dat biedt in procedures rond kleine thuisteelt ruimte om tegen algehele vernietiging van materiaal en middelen op te komen.

Conclusie voor internationale cliënten

Duitse advocaat Jens Ferner: gespecialiseerd advocaat in strafrecht en IT-recht in Duitsland

De Duitse KCanG heeft cannabis niet “gelegaliseerd” in de alledaagse betekenis van het woord. De wet heeft beperkte eilanden van gedoogd eigen gebruik gecreëerd binnen een nog steeds scherp afgebakend strafrechtelijk regime dat de logica van de BtMG grotendeels voortzet – inclusief begrippen als “niet geringe hoeveelheid”, handel, invoer, ontneming en zelfs extraterritoriale toepasselijkheid voor bepaalde cannabisdelicten. Voor buitenlandse cliënten, investeerders en expats is het beslissende inzicht dat het risicoprofiel is verschoven, maar niet verdwenen. Wie de strikte grenzen van de eigengebruikregelingen overschrijdt – door meer dan drie planten te telen, grotere voorraden op te bouwen, anderen te bevoorraden of zich in commerciële structuren te begeven – kan zich snel geconfronteerd zien met ernstige strafbare feiten, vermogensontneming en complexe bewijsvoering op basis van internationale opsporingssamenwerking.

In deze context is vroege, gespecialiseerde strafrechtelijke bijstand essentieel. De nieuwe rechtspraak over vrij hoeveelheden, grenzen van witwassen, drempels voor niet geringe hoeveelheden, de juridische status van thuisteelt en de toelaatbaarheid van opsporingsmiddelen biedt reële kansen om strafrechtelijke aansprakelijkheid te beperken of te vermijden – maar alleen als deze technisch‑juridische instrumenten vanaf het begin strategisch in de verdediging worden ingezet.

Duitse Advocaat Jens Ferner
Duitse Advocaat Jens Ferner

Door Duitse Advocaat Jens Ferner

Advocaat Jens Ferner is een ervaren en zeer gespecialiseerde gespecialiseerd advocaat in strafrecht en gespecialiseerd advocaat in IT-recht met meer dan tien jaar beroepservaring. Hij legt zich volledig toe op zijn werk als strafrechtadvocaat en IT-recht , gespecialiseerd in cybercriminaliteit, cybersecurity, softwarerecht en manager aansprakelijkheid. Hij is gecertificeerd expert op het gebied van crisiscommunicatie en cyberbeveiliging en auteur van artikelen in vakbladen en een gerenommeerd commentaar op het StPO (Duits wetboek van strafvordering) over IT-strafrecht en het Europees Openbaar Ministerie. Als softwareontwikkelaar is hij gecertificeerd in Python en heeft hij IT-handboeken geschreven.

Bereikbaarheid: via e-mail, terugbellen, Threema of Whatsapp. Informatie over onze kosten.
Ons advocatenkantoor is gespecialiseerd in strafrechtelijke verdediging, cybercriminaliteit, economisch strafrecht en fiscaal strafrecht en IT-recht en manager aansprakelijkheid. Wij nemen alleen strafrechtelijke verdedigingen van consumenten aan. Wij zijn gevestigd in de regio Aken en zijn actief in heel Duitsland.