Categorieën
Strafwetgeving

Mensenhandel: Mensensmokkel in het Duitse recht

Mensensmokkel is allang geen randverschijnsel meer aan de buitengrenzen van de EU, maar dagelijkse realiteit, ook in binnen‑Europese grensregio’s. In het Duits‑Belgisch‑Nederlandse drielandenpunt rond Aken variëren onderzoeken naar vermeende “smokkelaars” van kleine chauffeurs die voor een bescheiden bedrag mensen vervoeren tot personen die worden beschuldigd van betrokkenheid bij gestructureerde internationale netwerken. Voor de betrokkenen staat er veel op het spel: gevangenisstraffen van meerdere jaren, omvangrijke vermogensontneming en, in zaken met dodelijke afloop, zelfs levenslange gevangenisstraf.

Het Duitse strafrecht pakt mensensmokkel in de kern aan via de §§ 96 en 97 van de Aufenthaltsgesetz (AufenthG, Duitse Vreemdelingenwet). Deze bepalingen zijn in de afgelopen jaren aanzienlijk aangescherpt, met name door de “Wet ter verbetering van de terugkeer” in 2024. Tegelijkertijd bepalen rechtspraak van het Bundesgerichtshof (BGH) en het Europese recht – waaronder de Terugkeerrichtlijn en recente arresten van het Hof van Justitie van de EU – de grenzen en reikwijdte van strafbaarheid. Wie met dergelijke beschuldigingen wordt geconfronteerd, heeft een verdediging nodig die zowel de dogmatische fijnslijperij als de praktijk van grensoverschrijdende opsporing begrijpt.

Kernidee: hulp wordt daderschap

Het bijzondere van § 96 AufenthG is dat het hulp bij een vreemdelingenrechtelijke overtreding verheft tot een zelfstandige strafbare hoofdhandeling. Eenvoudig gezegd: wat normaal gesproken als “slechts” medeplichtigheid aan illegale binnenkomst of illegaal verblijf zou gelden, wordt als volledig daderschap behandeld zodra bepaalde aanvullende kenmerken aanwezig zijn – bijvoorbeeld betaling, herhaald handelen of hulp voor meerdere migranten tegelijk. Deze techniek stelt de wet in staat om zich te richten op degenen die irreguliere migratie organiseren of er financieel van profiteren, in plaats van op de migranten zelf.

Strafbaarheid op grond van § 96 veronderstelt echter wel dat de migrant een onderliggend vreemdelingenrechtelijk delict heeft gepleegd. De wet hanteert een model van “beperkte accessoriteit”: de hoofdhandeling van de migrant moet opzettelijk en onrechtmatig zijn, maar hoeft niet verwijtbaar te zijn. Daarom kunnen zelfs kinderen of anderszins niet‑toerekeningsvatbare personen in juridische zin “gesmokkeld” worden, zolang zij objectief zonder vereiste titel binnenkomen of verblijven. Voor de verdediging is dit een essentieel aangrijpingspunt: als de vermeend “gesmokkelde” persoon in werkelijkheid over een geldige verblijfstitel beschikte – bijvoorbeeld een visum dat binnenkomst en verblijf nog dekte – ontbreekt een strafbare hoofdhandeling en daarmee ook de mensensmokkel.

In de praktijk betekent dit dat de verblijfsstatus van elke afzonderlijke migrant nauwkeurig moet worden onderzocht. In veel procedures is dit in de opsporingsfase niet volledig uitgewerkt. Een precieze controle van documenten, visumvoorwaarden en verblijfsdoel is daarom vaak de eerste beslissende stap richting een succesvolle verdediging.

Typische situaties: vervoer, organisatie, geldstromen

In grensregio’s is de klassieke situatie de transportzaak: een chauffeur haalt in België of Nederland meerdere vreemdelingen op en brengt hen over de grens naar Duitsland. Vaak verdient de chauffeur per persoon slechts een gering bedrag – geen “grote vis”, maar toch beschuldigd van een ernstig vreemdelingenstrafbaar feit. Juridisch gaat het dan doorgaans om hulp bij illegale binnenkomst, dus om mensensmokkel volgens § 96 lid 1 AufenthG, waarbij ten minste één van de wettelijk omschreven “smokkelaarskenmerken” (betaling, herhaald handelen, hulp aan meerdere migranten) aanwezig is.

Steeds vaker ligt de focus ook op de organisatorische en financiële infrastructuur achter dergelijke transporten. Informele waarde‑overdrachtsystemen zoals Hawala staan in toenemende mate in de belangstelling van de opsporingsautoriteiten. Duitse rechters hebben geoordeeld dat een Hawala‑bankier strafrechtelijk aansprakelijk kan zijn als hij betalingen verwerkt die dienen om smokkellijnen te financieren. In dit soort constellaties moet de verdediging zeer nauwgezet onderzoeken wat de verdachte daadwerkelijk wist over het doel van de transacties en of de vereiste opzet om illegale binnenkomst of illegaal verblijf te ondersteunen wel echt kan worden bewezen.

Een ander toepassingsgebied is het faciliteren van illegaal verblijf en zwart werk. Hier richt de wet zich op het financiële voordeel: wie een onrechtmatig verblijf in Duitsland mogelijk maakt en daar een materieel voordeel uit haalt – bijvoorbeeld door het uitbuiten van goedkope, niet‑geregistreerde arbeid – loopt het risico vervolgd te worden op grond van § 96 lid 1 nr. 2 AufenthG. Recente rechtspraak heeft de grenzen van dit begrip verder opgerekt door zelfs bespaarde sociale premies en loonbelasting als voldoende “voordeel” te accepteren. Vanuit verdedigingsperspectief is het daarom cruciaal om de vermeende koppeling tussen enig economisch voordeel en de concrete vreemdelingenrechtelijke overtreding kritisch aan te vechten.

Aangescherpte straffen en nieuwe kwalificaties

Met de hervorming van 2024 zijn de straffen voor mensensmokkel aanzienlijk verhoogd. Het basisdelict van § 96 lid 1 voorziet nu in een gevangenisstraf van zes maanden tot tien jaar. In ernstige gevallen – bijvoorbeeld bij handelen uit winstbejag, door een criminele groepering, met wapens, onder levensgevaarlijke omstandigheden of bij een gevaarlijke vlucht voor de politie – geldt een minimumstraf van één jaar. Daarmee worden al deze gekwalificeerde vormen als misdrijf ingedeeld, met vergaande gevolgen, zoals de toepassing van strafbepalingen over samenspanning en voorbereidingshandelingen.

Voor verdachten heeft dit twee belangrijke consequenties. Enerzijds zijn gevangenisstraffen in veel constellaties niet langer de uitzondering maar de regel, zelfs voor first offenders. Anderzijds zijn onderzoeken vaak bijzonder ingrijpend: telefoontaps, uitlezen van mobiele telefoons, internationale rechtshulp en financieel onderzoek zijn standaardinstrumenten in ernstige smokkelzaken.

Tegelijkertijd heeft de rechtspraak verduidelijkt dat niet ieder tekort aan veiligheid automatisch een “levensbedreigende behandeling” oplevert. De concrete omstandigheden van het transport – route, snelheid, aantal passagiers, aanwezigheid van veiligheidsriemen en nooduitgangen, weersomstandigheden – moeten in detail worden beoordeeld. Juist hier kan een feitelijk goed onderbouwde verdediging voorkomen dat een zaak automatisch in de zwaarste kwalificatiecategorieën terechtkomt.

Mensensmokkel met dodelijke afloop

Wanneer migranten om het leven komen in verband met een smokkeloperatie, treedt § 97 AufenthG in werking. Deze bepaling is opgebouwd als een gekwalificeerd gevolgdelict: zij bouwt voort op de mensensmokkel volgens § 96, maar voegt de dood van een migrant toe als bijzonder zwaar gevolg. De wet vereist niet dat de smokkelaar de dood heeft gewild of aanvaard. Het volstaat dat het overlijden als gevolg van onvoorzichtig gedrag in verband met de smokkel aan hem kan worden toegerekend.

De hoogste Duitse rechtspraak heeft zich de afgelopen jaren met name over twee scenario’s gebogen: dodelijke ongevallen tijdens riskante zeereizen en fatale botsingen wanneer smokkelaars in het wegverkeer voor de politie vluchten. De rechters benadrukken dat niet de exacte toedracht voorzienbaar hoeft te zijn; voldoende is dat de dood een uiting is van de typische gevaren die in de smokkelhandeling besloten liggen. Voor de verdediging levert dit complexe causaliteitsvragen op: heeft de verdachte daadwerkelijk een juridisch relevante gevaarssituatie gecreëerd of vergroot, of was het overlijden het gevolg van een onvoorzienbare doorbreking van het causale verband?

De hervorming van 2024 heeft het regime verder aangescherpt: de minimumstraf voor mensensmokkel met dodelijke afloop is verhoogd en bijzonder ernstige gevallen kunnen nu tot levenslang leiden. In dergelijke zaken zijn een minutieuze reconstructie van de feiten en een precieze analyse van de individuele bijdrage van de verdachte onmisbaar.

Europees recht en humanitaire hulp

Mensensmokkel speelt zich niet af in een juridisch vacuüm. Het EU‑recht beïnvloedt zowel de afbakening als de grenzen van strafbaarstelling. Twee ontwikkelingen zijn in het bijzonder relevant. Ten eerste garandeert de Terugkeerrichtlijn dat administratieve terugkeerprocedures voor migranten prioriteit hebben; Duitse rechters hebben echter duidelijk gemaakt dat dit smokkelaars zelf niet beschermt tegen strafvervolging. Ten tweede heeft het Hof van Justitie van de EU de strafbaarstelling van louter humanitaire hulp beperkt. Volgens recente rechtspraak kan onbetaalde hulp aan familieleden niet zonder meer als strafbare “facilitatie” van illegale binnenkomst worden aangemerkt.

Voor de verdediging bieden deze Europese grenzen belangrijke argumentatielijnen in zaken waarin hulp wordt ingegeven door familiebanden of humanitaire motieven in plaats van door winstbejag. Tegelijkertijd benadrukken zij de noodzaak om scherp te onderscheiden tussen commerciële mensensmokkel enerzijds en solidair, op hulp gericht handelen anderzijds.

Waarom gespecialiseerde verdediging cruciaal is

Duitse advocaat Jens Ferner: gespecialiseerd advocaat in strafrecht en IT-recht in Duitsland

Smokkelzaken zijn complex. Ze liggen op het snijvlak van strafrecht, vreemdelingenrecht en Europees recht. Ze gaan vaak gepaard met grensoverschrijdende onderzoeken, digitale bewijsmiddelen en taalbarrières. En ze hebben enorme persoonlijke gevolgen: voor migranten die hun leven riskeren en voor verdachten die geconfronteerd worden met jarenlange gevangenisstraffen, vermogensontneming en langdurige registraties in strafregisters.

Wie in Duitsland wordt beschuldigd van mensensmokkel – als chauffeur, organisator, tussenpersoon of financieel actor – zou niet zonder gespecialiseerde verdediging tegenover justitie moeten staan. Doorslaggevend is een verdediging die de rechtspraak over §§ 96 en 97 AufenthG tot in detail kent, de opsporingspraktijk aan de grenzen en in transitgebieden begrijpt en vertrouwd is met de bijzonderheden van procedures uit het Duits‑Belgisch‑Nederlandse grensgebied.

Als strafrechtadvocaat met specialisatie in zowel strafrecht als IT‑gerelateerde vraagstukken en met ruime ervaring in mensensmokkelzaken in de regio Aken ligt de focus op drie doelen: het vroegtijdig veiligstellen van verdedigingsrechten vanaf het eerste politiecontact, het kritisch toetsen of aan de strenge wettelijke voorwaarden van de smokkeldelicten daadwerkelijk is voldaan en het beperken van de gevolgen waar mogelijk – van de tenlastelegging tot de straftoemeting en de ontneming van vermogen.

Duitse Advocaat Jens Ferner
Duitse Advocaat Jens Ferner

Door Duitse Advocaat Jens Ferner

Advocaat Jens Ferner is een ervaren en zeer gespecialiseerde gespecialiseerd advocaat in strafrecht en gespecialiseerd advocaat in IT-recht met meer dan tien jaar beroepservaring. Hij legt zich volledig toe op zijn werk als strafrechtadvocaat en IT-recht , gespecialiseerd in cybercriminaliteit, cybersecurity, softwarerecht en manager aansprakelijkheid. Hij is gecertificeerd expert op het gebied van crisiscommunicatie en cyberbeveiliging en auteur van artikelen in vakbladen en een gerenommeerd commentaar op het StPO (Duits wetboek van strafvordering) over IT-strafrecht en het Europees Openbaar Ministerie. Als softwareontwikkelaar is hij gecertificeerd in Python en heeft hij IT-handboeken geschreven.

Bereikbaarheid: via e-mail, terugbellen, Threema of Whatsapp. Informatie over onze kosten.
Ons advocatenkantoor is gespecialiseerd in strafrechtelijke verdediging, cybercriminaliteit, economisch strafrecht en fiscaal strafrecht en IT-recht en manager aansprakelijkheid. Wij nemen alleen strafrechtelijke verdedigingen van consumenten aan. Wij zijn gevestigd in de regio Aken en zijn actief in heel Duitsland.