Wanneer is nalatigheid volgens het Duitse burgerlijk recht?

In het Duitse burgerlijk recht wordt vaak uitgegaan van de vraag of er sprake is van een verwijtbaar of een verwijtbaar gedrag. Schuldig gedrag in de zin van het recht inzake onrechtmatige daad is altijd alleen aanwezig als de overtreder met opzet of nalatigheid kan worden aangeklaagd (zie § 276, lid 1 en 2, BGB). Vaak is het bijzonder belangrijk om te vragen wanneer er daadwerkelijk sprake is van nalatigheid.

Opzettelijke actie

Opzettelijk handelen is het doelgericht, bewust en weloverwogen handelen en behoeft geen verdere discussie.

Verwaarloosbare actie

Negatief gedrag is anders: In het Duitse recht zijn alleen degenen die “de in het verkeer vereiste zorgvuldigheid veronachtzamen” nalatig, wat gericht is op de voorzienbaarheid en vermijdbaarheid van de verwezenlijking van de overtreding en waarvoor een objectieve norm moet worden toegepast binnen de desbetreffende verkeerscirkel. De veronderstelling dat er sprake is van nalatigheid vereist dus met name ook dat de mogelijke schade wordt herkend (BGH, VI ZR 233/93). Volgens de algemeen heersende opvatting is de voorspelbaarheid van het optreden van succes, d.w.z. het mogelijk optreden van schade, hiervoor voldoende.

Het is echter niet noodzakelijk dat de persoon die handelt de gevolgen van zijn gedrag in alle details heeft voorzien, met name het soort en de omvang van de schade die is opgetreden, als mogelijk (BGH, VI ZR 283/92).

In overeenstemming met de vaste rechtspraak van de hogere rechtbanken is het criterium hiervoor een objectieve, abstracte en typerende zorgvuldigheidsnorm. Deze objectieve zorgvuldigheidsnorm betekent de zorg die naar het oordeel van een voorzichtig en gewetensvol lid van het relevante publiek in acht moet worden genomen op het moment van het te beoordelen gedrag. Regelmatige evaluatiecriteria kunnen met name de naleving van de regels van de technologie of andere objectieve eisen zijn.