Ruzie over het aantal gewerkte uren – wie moet wat bewijzen?

Wie draagt de bewijslast voor het aantal gewerkte uren in een Duits burgerlijk proces: In mijn geval is er regelmatig onenigheid over de vraag of de gefactureerde uren ook daadwerkelijk zijn gewerkt. In het verleden heb ik als standaardgeval moeten constateren hoe tegenstanders steeds meer problemen krijgen met de kwestie van de te factureren uren – ongeacht aan welke kant van het proces ik me bevond.

De truc is dat de Duitse jurisprudentie een evenwicht probeert te vinden in de zaak – het is niet voldoende om alleen maar uren te claimen, noch is het voldoende om het aantal uren in het blauw te ontkennen.

Men kan de procedure voor een Duitse rechtbank in grote lijnen als volgt samenvatten:

  • De eisende partij, d.w.z. de dienstverlener of aannemer, moet het volgende voorleggen: Aangezien de loutere presentatie van de resultaten van de werkzaamheden niet volstaat voor een gemotiveerde presentatie, is het noodzakelijk dat de werkzaamheden die tijdens de gefactureerde periode zijn uitgevoerd, op concrete en controleerbare wijze worden gepresenteerd. Hiervoor moet het echter voldoende zijn dat deze werken op een begrijpelijke manier worden opgeschreven. Dit kan de vorm aannemen van een overzicht dat gestructureerd is volgens de inhoud van het trefwoord van de activiteit. In de lijst in tabelvorm moet worden aangegeven op welke datum welk type werknemer welke sleutelwoordactiviteit heeft uitgevoerd. Een algemene verwijzing naar de activiteit als geheel, d.w.z. de accumulatie van uren altijd alleen onder een dossiernummer of een algemene volgorde, is niet voldoende).
  • De tegenstander van de vordering, dat wil zeggen de klant die het aantal uren wil ontkennen, moet dit dan op gemotiveerde wijze ontkennen: Men moet zich meer zorgen maken over de presentatie van de uren in termen van inhoud, en mag zich in de regel niet beperken tot een eenvoudige ontkenning van het vermeende werk. Dit geldt in ieder geval in het bijzonder voor activiteiten die moeten worden toegewezen aan de belevingswereld van de klant.

Meer algemene referenties bieden zichzelf niet aan – het hangt anders te sterk af van het individuele geval, bijvoorbeeld het soort van de verschuldigde prestatie, waar deze voornamelijk is ingericht en hoe zinvol individuele activiteiten überhaupt kunnen worden bewezen.

Wat belangrijk is – en dat verbaast de tegenstanders altijd – is dat een te algemeen procedureel gedrag niet kan volstaan: Ik heb lijsten meegemaakt waarin zelfs de activiteit niet eens werd vermeld, net zoals ik steeds weer het probleem heb dat klanten denken dat men er baat bij heeft als men het aantal uren simpelweg ontkent. Vooral als het gaat om loonprocessen is voorzichtigheid geboden, bijvoorbeeld bij het maken van websites: onjuiste tariefafspraken of slechte contractuele regels nemen veel te snel wraak. Dit is bijvoorbeeld het geval bij de klassieker, wanneer de klant en de aanbieder heftig discussiëren over de vraag of de constante eisen van de klant met verdere wensen extra werk zijn dat moet worden beloond of dat er sprake is van contractueel verschuldigde verbeteringen. Als dan nog niet eens een eindresultaat in het gebied staat als de controverse zich voordoet, dan is het volledig verleden tijd – want niemand wil betalen voor iets halfbakken, maar de verplichting kan toch bestaan.